Er zijn zaken uit je jeugd die je eeuwig bijblijven. Moeiteloos kan ik me nog voor de geest halen hoe ik in het eerste kleuterklasje samen met mijn kompaan Jonas de 'tuttefrutten' van de grond wist af te krabben. Met onze vingertjes prutsten we de vers geworpen 'vruchtjes' los en kwakten ze vervolgens, zonder omhaal met veel goesting in onze mond. Onze voorkeur ging uit naar van die dikke roze bubbelgum. Je kon er van die geweldige bellen mee blazen; iets waarin we ons mettertijd aardig van de rest wisten te onderscheiden.
Een ander, minder onschuldig feit, dateert van die éne keer dat ik spiekte en meteen ook voor't eerst betrapt werd. Het gebeurde op hetzelfde franstalig college, als waar ik ooit herkauwend met hamsterwangen over de speelplaats had lopen slenteren, maar dan wel in de tweede klas, tijdens een frans dictee. De titel van het dictee was: 'l'oiseau fait son nid'. De overige 10 zinnetjes had ik keurig op een roze post-it-je met mijn vulpen neergeschreven en vooraan in mijn bank geschoven. Het waren van die schoolbankstelletjes, waar je per twee aan zat en elkeen had onder het

tafeloppervlak een soort van eigen, brede gleuf, waarin je schriftjes en andere rommel kon opbergen. Aangezien je stoeltje dus aan het tafeltje vastzat, was iets zoeken in je bank geen ongevaarlijke onderneming; het gebeurde wel'ns dat jij en je buur langs dezelfde kant het bankje indoken, met een hoofdbotsing tot gevolg, en nonchalant op de achterpoten van je stoeltje leunen, zat er ook niet in. Wie dus onopgemerkt in z'n bank wou spieken, moest ofwel iets laten vallen, bijvoorbeeld zijn vulpen, en bij het overeind krabbelen even op 'gleufhoogte' gluren. Een andere tactiek was je langzaam ineen laten zakken, tot je bijna helemaal achter je bankje verzonken lag. Tijdens mijn spiekpoging paste ik de tweede tactiek toe, maar helaas het mocht niet baten. Mijn subtiele 'ik smelt even weg achter m'n bank-act' was de juffrouw, die doorgaans in de klas rondliep, klaarblijkelijk in het vizier gesprongen en plots voelde ik een massa- het was geen magere juf- naderen. Ik schrok op en met haar rood gelakte nagels tikte ze hard op m'n bank. 'Wat doe je daar? geef maar hier!' fluisterde ze op een dreigende toon.
Achteraf bekeken, geloof ik dat ze maar een flauw vermoede had van hetgeen ik uitspookte en had ik perfect nog kunnen beweren dat ik een zakdoekje zocht, of iets van dien aard. Maar in de plaats daarvan, gaf ik me over. Doodeerlijk, naïef, verweesd, betrapt en reeds overladen met een ontzettend schuldgevoel haalde ik zonder nadenken, als iemand die kost wat kost zijn leven wil sparen, het verkreukte roze blaadje naar boven. Triomfantelijk, alsof ze zo-even een grote misdaadigster 'en plein delict' had gevat, plakte ze met plakband het briefje in m'n schrift en stuurde me naar de directrice. Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, mocht Nathalie Lemonnier, de numero uno van de klas, me mee naar de galg - want zo voelde het wel- begeleiden. Opweg voelde ik me door de vloer zakken van schaamte. De gangen tolden door m'n hoofd: 'wat zou er nù met mij gebeuren? Ik was een bandiet, een stuk crapuul een onderkruipsel. Oh o! wat had ik toch gedaan... Die nacht kreeg ik de éne nachtmerrie na de andere te verwerken. Ik droomde dat klasgenootjes me bespottelijk maakten en etiketten op m'n voorhoofd plakten waarop te lezen stond' la tricheuse', of vertaald de 'spiekster'. Het verdict kreeg ik de dag erna te horen: ik mocht niet mee op sportdag, moest alleen op school achterblijven en kreeg een dikke bundel 'exercices de grammaire et de calcul' toegeschoven.
Ze hadden het maar moeten weten, dat ik toen al geen hoogvlieger was in wiskunde. Voordurend viel ik op de bewuste dag van mijn 'strafuitzetting' de lieve, hoewel naar het einde toe lichtelijk geïrriteerde dame van het secretariaat lastig met de als maar terugkerende vraag: 'madame, je ne comprends pas... Vous voulez m'expliquer?' Lang heb ik er nooit gezeten, want na enkele luttele uren lieten ze me vogelvrij en bracht ik haast de hele dag door op de speelplaats, die zo goed als voor mij alleen was. Ik schommelde naar harte lust op het blauwe schommeltje, dat anders altijd zo volzet was, dartelde vrij en vrolijk als een vogeltje in het rond, verzon liedjes met bijhorende danspasjes en werd vereerd als een kleine prinses, toen ook de 'groten' speeltijd hadden en plots íedereen mijn vriendje wilde worden. Toen mijn klasgenootjes na schooltijd terugkwamen en de gedachte weer door m'n hoofd spookte, dat voortaan niemand nog naar me zou omkijken, bleek het tegendeel waar; de hele klas was enorm solidair. Ik werd van alle kanten bevraagd, beaamde dat ik toch wel héél erg had afgezien die dag en iedereen had verschrikkelijk veel medelijden met me. Van Bruno, een ros jongetje dat verliefd op me was, kreeg ik zelfs een sleutelhanger van het sportcentrum cadeau.*
's Avonds kwam ik thuis en belde mama nog'ns met de directie. 'Jazeker, ze had haar lesje wel geleerd. Nooit, maar dan écht nooit zou ze het er nog op wagen', verzekerde mams haar door de horen en knipoogde naar het onschuldig schaapje dat tegenover haar zat. Met ondeugende pretoogjes lachte het benenwiebelende meisje haar witte melktandjes bloot.
(n.b. om de personen in kwestie niet in velegenheid te brengen, heb ik de namen veranderd)
*ik heb het nog steeds, alleen is het plastik al wat vergeeld)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten