dinsdag 10 maart 2009

poeziwoesie


9.07 u.


8.55 :
in een roes, verlaten we de kamer,
de kamer waar jij me ’s nachts liefhad.
Bijtend op je onderlip verwijt je de tijd,
van ongenadeloos voorbij tikken
en zet het daarbij op een draf.

8.58:
Gezwind en gestaag doorkruisen we
het dambord van natte en droge stoepen;
wij zijn de pionnen, de stad is het spel.
Ik huppel over tramsporen en paardenkoppen
en jij
slaat rebels geen acht op rode, groene of oranje
tekens van hier- is -geen- terugkeren- naar
nee. Geen hindernis zal je belagen.

Nog 1, 2, 3 minuten: wie niet weg is, is gezien.
We doorklieven de stadslucht.
Uit de roosters van de metro stijgt een walm;
de penetrante geur van nachtdronken zwervers.
Ja. Deze stad lééft
overal.

9.03:
We naderen ons doel.
Vanuit m’n ooghoek durf ik je voor’t eerst weer aankijken.
Je kijkt niet op,
denkt na,
4 more minuts to go.

Als een woelige golfslag storten we bijna uitgeput
neer op het marmer van de inkomhal
Vertrek: Perron 21,
Op je laatste restjes beenkracht,
als een spurter die straks de eindmeet zal bereiken
strompel je tegen de tijd in
37 trappen op
en ik,
enkele meters achter je aan.

9.07u:
in de verte zie ik
het rijtuig waar jij zo-even opsprong,
langzaam verdwijnen.
Tijd heeft beslist geen clementie:
geen blik, noch hoofdgeknik, geen kus, noch lach
mocht ik nog langer van je houden

Geen opmerkingen:

Een reactie posten