Een dikke man stapt op. Hij ruikt naar zweet, bier en sigaretten.
Zijn haar plakt als een calimero-eierdopje om zijn kruin.
Wat later propt een wat pronkerig dametje, met om haar hals en handen veel blingbling en een blond kapsel à la Marilynn Monroe zich naast deze - uhum... -Heer.
Ze had er vast niet lang over nagedacht.
'HALT! U BEGAAT HIERMEE EEN VEEEEURGISSING!' wou ik haar nog toeroepen,
maar in een bus zijn er conventies, vooral van 'stilzwijgende aard' en ik pas me aan.
Buiten is het warm, maar hierbinnen, in deze krakkelmikkige bus met vuile, plakkerige, stoffen zeteltjes en geen raampje om te openen, mist het z'n broeikaseffect niet.
Overal dampen raampjes aan. Een gevolg van onze gecondenceerde, uitgeademde lucht die onomstotelijk opbots tegen de lauwwarme, vuile ruiten. Een inwendige walging steekt even de kop op bij de idee, dat ook mijn koolstof zich straks zal vermengen met die van mijn medereizigers. Ik begrijp plots waarom al die Lijn-chauffeurs er de voorkeur aan geven om zich volledig associaal, edoch veilig van deze broeihaard aan bacteriën af te schermen in hun bestuurderscabinnetjes. Je zou voor meer een chronische vorm van smetvrees oplopen.
De vrouw met het opposante kapsel zucht geïrriteerd en durft klaarblijkelijk niet opzij te blikken. Het is inmiddels al de vierde keer dat ze naar de buitenzijde van het bankje tracht op te schuiven. Tevergeefs zo blijkt, want haar buurman kan zijn vetrollen niet beteugelen en dus moet ze maar even leven met deze onaangename confrontatie in haar 'intimate bubble'.
Ik bemerk intussen dat ze een flinke blos op de wangen heeft gekregen. Opwinding? Nee vast niet. Onze blikken kruisen zich ergens in het midden van het gangetje tussen de rijen zeteltjes.
Ik lach vriendelijk, waarachter een verdoken boodschap van diep menselijk medelijden schuilt: 'ach mevrouw, ik zou het ook niet uithouden naast zo'n vent. Misericordia!'
Een beetje later stapt de man in kwestie af.
De vrouw kijkt zichtbaar opgelucht en ik ben dolgelukkig in haar plaats.
Maar dan...
dan haalt ze plots, na enig gerommel in haar chique, hoogstwaarschijnlijk nagemaakte Vuitton-handtas een ordinair blik Cara-pils naar boven.
Met een luide Pssssht opent ze het ding, zet het brut aan haar roodgestifte lippen en slokt het goedje met volle teugen tevreden naar binnen.
Verbijsterd slaag ik het tafereel gade.
Nog één halte te gaan. Geef me zuurstof.