Je kent me niet.
Nu ben ik nog een onbesuisde passant
in de naamloze straten van je gedachten,
een jachtgodin in schapenvacht
die de bodem voetje voor voetje aftast
haar prooi zoekend in de mist .
Je kent me niet.
Ik raakte verzeild in het web van je blinde hersenspinsels
die ik eerst nog moet zien te ontwarren,
als een nieuwe taal moet leren lezen en beheersen tot ik ze van binnen
en van buiten ken.
Toe, laat me treden uit de beslotenheid van je schaduw.
Laat me je ontkleden, laagje voor laagje, uit die cocon
waarin ik je tenslotte lang genoeg voor me verborgen hield.
Ach, ik weet het,
straks
wanneer ik onverholen mijn blik laat rusten op de deining van je golvende manen
en jij je, gecharmeerd door mijn tactisch offensief, toch naast me komt nestelen,
denkt je vast: 'verdorie. dat plan was zo uitgekiend.'
- en o ja. dat wàs het ook -
alleen,
toen
kende je me nog
niet.